Het kweken van onze killi's 

Het mooie van onze hobby is voor mij het kweken. Gedrag, de prachtige kleuren, het benodigde water, de levenswijze, het voedsel, ik vind het allemaal prachtig, maar niets stemt mij zo tevreden en maakt mij zo blij als het eerste eitje van een voor mij nieuwe of moeilijk te kweken soort of het eerste jong uit net opgegoten turf, die moeizaam het wateroppervlak probeert te bereiken om zijn zwemblaas te vullen. Schitterend vind ik dat, ik sta soms echt te chillen bij zo'n bakje en de dagelijkse beslommeringen zijn opeens helemaal niet meer zo belangrijk.

Daar tegenover staat dan wel, dat een soort die maar geen eieren wil afzetten, ondanks alle varianten in water, voer en temperatuur, uit kan groeien tot een frustratie. Zo ver komt het gelukkig bijna nooit, want je hoopt steeds maar weer dat morgen...............

In dit artikeltje wil ik een overzicht geven van de wijzen waarop ik geprobeerd heb om mijn visjes na te kweken en de manieren waarop ik het nu doe.

Misschien heeft u er iets aan.

Plantenleggers of mopleggers
Geslachten Aphyosemion, 'Roloffia", Epiplatys, Rivulus enz. Bijna elke killiliefhebber begint met één van deze groepen. Vaak krijg je de eerste jongen in je gezelschapsaquarium tussen de kardinaaltetra's en maanvissen. Meestal zijn ze dan ook spoedig opgegeten. Wat te doen om deze jongen groot te krijgen? De volgende kweekwijzen hebben bij mij hun nut bewezen.

De 'natuurlijke' kweek.

  1. In een klein bakje van minimaal 15 x 10 x 10 cm, wordt een paartje of een trio in de 'kweek' gezet. In dit bakje doen we regenwater, natuurwater of zacht leidingwater en een plukje turfvezel. Na 14 dagen worden de kweekdieren uitgevangen en in een volgende kweekbak gezet of teruggezet in het gezelschapsaquarium. Al spoedig kunnen er jongen in het kweekbakje zwemmen.
  2.  Niet de ouders worden uit het kweekbakje gevangen, maar de turfvezel wordt eruit gehaald en in een nieuw bakje gedaan met wat water uit de kweekbak. In het kweekbakje wordt vers water bijgevuld. Het grootste voordeel boven A1 is, dat de kweekdieren niet steeds in ander water worden overgezet.

De 'kunstmatige' kweek.
In hetzelfde bakje wordt een trio gezet. In dit bakje zit leidingwater met een hardheid tot 12dH. Hoe zachter het water des te beter de resultaten.

  1. Bij de kweekdieren wordt een plukje turfvezel gedaan, dat 1 keer per week wordt verzameld en 21 dagen in een plastic zakje of bakje (vochtig) wordt bewaard. Hierna wordt deze turf in een bakje met water uit de oorspronkelijke kweekbak gedaan en de jongen komen binnen een dag uit.
  2. Bij de kweekdieren wordt een mop (een pluk acryldraden) gedaan. De hierin afgezette eieren worden elke dag met de vingers eruit gehaald en op of in vochtige turfmolm of turfvezel gelegd. Dit weer in een doosje of zakje en na 21 dagen opgieten.
  3. De verzamelde eieren worden in water gedaan in een klein bakje. Om schimmelwoekeringen tegen te gaan voegen we of een druppeltje methyleenblauw of acryflavine toe (persoonlijk doe ik dit nooit, omdat ik de eventuele bijwerkingen van chemische stoffen niet vertrouw) of een 2 mm dik laagje turfmolm eraan toe.

Na 14 dagen vervangen we het oude water door vers water en de eerste jongen zwemmen binnen een uur, de volgende dagen volgt de rest.

Algemeen: De turfvezel kan gekookt worden tot deze zinkt, ook de mop kan het beste op de bodem liggen. Dit om de vrouwtjes schuilplaatsen te bieden bij de soms sterk jagende mannetjes.

De mop van acryldraden (geen wol gebruiken, die gaat pluizen) moet even in heet water worden gehouden, zodat het zijn kleurstoffen afgeeft. Verder is het het beste om minimaal 40 draden van 10 cm lengte te hebben.
De incubatietijd (ontwikkelingstijd) wordt in het voorgaande stukje op 14 tot 21 dagen gehouden. Dat is niet voor alle soorten het geval. Deze incubatietijd kan wel tot zes weken oplopen, afhankelijk van de soort en de omstandigheden zoals watersamenstelling, temperatuur, vochtigheid van de turf e.d.
Als de jongen niet uit de eieren komen, is er een aantal manieren om ze hierbij te helpen; bijvoorbeeld door het water voedselrijker te maken met Liquifry, plantenresten, droogvoer etc., waardoor er een bacteriegroei plaatsvindt die de ei-membranen aantast . Het voedselrijker maken heeft ook tot gevolg dat door rottingsprocessen de hoeveelheid koolzuur in het water toeneemt, waardoor de pH daalt. Het blijkt nu dat het kiemingsenzym dat de larven afscheiden, beter werkt bij een lage pH.
Een andere methode is om zachter water op de eieren te gieten, die vervolgens water opzuigen (osmose) en uit elkaar barsten. Niet alle jonge vissen kunnen hier tegen.
Weer een andere is in het water blazen van koolstofdioxide (dit zit in uitgeademde lucht). Ook dit heeft een pH verlagend effect.

Bodemploegers
Geslachten: Fundulopanchax(groot), Callopancax, Nothobranchius en enkele zuidamerikaanse geslachten.
De soorten die tot deze geslachten behoren zijn "halve' of hele seizoensvissen. Het beste is om ze allemaal als hele seizoensvissen te behandelen.
Seizoensvissen maken in de natuur een vaak duidelijk van elkaar gescheiden regen- en droge tijd mee. Om de droge tijd te overleven, kunnen de eieren in de steeds droger wordende bodem overleven. Als de regen de poelen weer opvult met water, komt een gedeelte van de eieren uit. Niet allemaal, want stel je voor dat het vervolgens een tijd niet regent, dan sterven de jongen een omgekeerde verdrinkingsdood. Een deel van de overige eieren komen na 1 of 2 maanden uit en in een normale situatie worden deze jongen opgegeten door de oudere. In het andere geval, dus als het poeltje weer droog is gevallen, zorgen juist zij voor het voortbestaan van de soort.
De kweekdieren zetten de eieren af op de turf en met een krachtige klap van de staart worden ze in de turf geduwd.
Zelf kweek ik ze op twee manieren:

  1. Vrij op de bodem.
    In een kweekbakje van 30 x 20 x 20 tot 50 x 30 x 30 cm, afhankelijk van de grootte van de vis, zet ik het liefst een trio. Op de bodem ligt een halve cm dikke laag turfmolm. In deze turfmolm worden de eieren afgezet. Na een week of 14 dagen hevel ik de molm met de eieren met behulp van een waterslang uit het bakje. Het turfwater met eieren stroomt door een fijnmazig schepnetje. De vissen krijgen vers water. De turfmolm in het netje knijp ik zo hard mogelijk uit. Daarna gaat deze in een plastic zakje met daarop de datum, de soort, eventueel of er eieren te zien waren en de datum van opgieten.
  2. In een kweekpot.
    De turf (enkele centimeters) wordt nu in een klein bakje of ronde pot gedaan. Op de pot hoeft geen deksel. Al snel staat nu het mannetje in de pot op het vrouwtje te wachten. Als zij eieren wil afzetten, komt ze in de pot bij het mannetje en er wordt een ei afgezet.

Vooral bij soorten waarbij het mannetje sterk op het vrouwtje jaagt is dit de beste manier, daar het mannetje niet door de wand van de pot bij het vrouwtje kan komen en in zijn opwinding niet "bedenkt" dat hij naar boven moet zwemmen om er uit te kunnen en achter het vrouwtje aan te jagen. Een ander voordeel is dat eventuele voedselresten en uitwerpselen bijna niet in de turf komen en deze dus niet al te veel afvalstoffen bevat.
De pot wordt eens per week uit de kweekbak gehaald en door een netje gegoten. Verdere behandeling als bij A.

Het opgieten van turfmolm met eieren:
Na het voorgeschreven aantal maanden gewacht te hebben (voor sommige onder ons een groot probleem) wordt de turf in een opgietbakje (plastic 15 x 12 x 12cm) geschud. Hierop wordt water van ongeveer 16º C gegoten en er wordt goed geroerd. Na een uur zwemmen de jongen in dit bakje ....... als het goed is tenminste. Soms is het echter niet goed (zie Algemeen).
De hoogte van het water is niet belangrijk, maar ik hou het meestal op 4 a5 cm. De sterke, levensvatbare jongen halen het wateroppervlak zeker en vullen hier hun zwemblaas, zodat ze in het water blijven zweven.

Algemeen: De turfmolm mag geen mineralen of meststoffen bevatten. Vraag dit uitdrukkelijk aan de winkelier of tuinder.

Zelf gebruik ik op dit moment gele pakken van ASEF met 4 kilo turfstrooisel erin. De turfmolm moet je kort koken en goed uitspoelen in een netje met zo hard mogelijk stromend leidingwater. Als het water dat er uit komt, helder wordt, kan het gebruikt worden.

Na het afzetten van eieren knijp je de turf stevig uit. De ene keer steviger dan de andere keer; ook kan je de turf 1 of 2 dagen tussen kranten laten drogen. Je weet bij een nieuwe soort namelijk nooit precies bij welke vochtigheidsgraad de eitjes zich het beste ontwikkelen.

Schrijf het wel op het etiket, want anders weet je na 3 of 8 maanden echt niet meer hoe je het precies gedaan hebt. De omstandigheid van het zakje met de beste uitkomst noteer je natuurlijk, zodat je het in het vervolg altijd op de beste manier kunt doen. Dit geldt ook voor de temperatuur waarbij u de eieren weglegt. Deze is namelijk ook per soort verschillend. Meestal afhankelijk van de streek waar de vissen vandaan komen.

De beste temperatuur ligt meestal tussen 24 en 30 graden Celcius.

Opvallende uitzondering zijn Argentijnse Austrolebias en Cynolebias soorten ( die eieren kun je rustig enkele jaren in de koelkast leggen zonder uitkomstverlies) met een optimale temperatuur ergens beneden de 20 graden en aan de andere kant Simsonichthys antenori, waarvan je de eieren 6 maanden zeker boven de 32 moet bewaren om een goede uitkomst te krijgen.

Bij andere soorten neemt de benodigde ontwikkelingstijd af naarmate de temperatuur hoger is.

De kans op buikschuivers neemt wel toe omdat de precieze ontwikkelingstijd van de larven moeilijker in te schatten is. En te vroeg of te laat geeft buikschuivers. Buikschuivers zijn jonge visjes die hun zwemblaas niet gevuld hebben en daardoor niet kunnen zweven in het water.
Lucht voorin de zwemblaas betekent namelijk schuin naar boven zwemmen, lucht aan de achterzijde van de zwemblaas betekent schuin naar beneden zwemmen, horizontaal lijkt me duidelijk.
Bolle buik bij de larven, te vroeg opgegoten, ingevallen buik te laat.

De volgende zak met turf en eieren aan dit gegeven aanpassen.
Ook dit weer noteren voor elke door u gehouden soort.
Na enige tijd blijken vissen uit hetzelfde gebied ongeveer dezelfde omstandigheden nodig te hebben om er goede jongen van te krijgen.
Logisch toch. Zorg alleen wel dat u de optimale omstandigheden wel onthoudt voor de volgende keer. Dat scheelt een hoop frustratie.
Daarnaast moet u er rekening mee houden dat de incubatietijd van vrijwel elke soort langer wordt naarmate u de vissen langer hebt. Elke generatie lijkt iets meer tijd nodig te hebben om goed uit te komen.
Bij de vaak grote aantallen jongen moet u meteen een paar slakken doen om de dode voedselresten op te ruimen.
Bij behoefte aan meer jongen, of als er helemaal geen zijn uitgekomen, en u ziet nog eieren, is het raadzaam om de turf opnieuw te drogen en het na een maand nog eens te proberen.

BODEMDUIKERS
Vele zuidamerikaanse seizoenvissen duiken diep de bodem in om hun eitjes af te zetten. Deze soorten vormen de grootste uitdaging voor een klliekweker, daar de ouderdieren vaak al dood zijn als de eieren kunnen worden opgegoten. Je bent de soort dus al kwijt en toch ook weer niet.

Het mooiste voor mij in onze hobby is dan aangebroken, stelt u zich voor: ik heb maar 1 zakje, een zakje dat ik al 8 maanden koester, ik heb er eieren in gezien, langzaam zag ik de embryo's in de eitjes groeien en dan giet ik er water uit mijn aller gezondste bakje bij, een centimeter of 3 hoog en vervolgens elk uur kijken of er iets beweegt en ja, het eerste jong zigzagt naar het oppervlak. Echt kicken.

Kweken
De grotere soorten hebben vooral een hogere bak nodig ( 30 x 30 hoog x 20 cm). Daarin het liefst een trio en een hoge pot (20cm) met daarin minimaal 10 cm fijne turfmolm. Op de pot het liefst een deksel met een gat erin (anders is de helft van turf de volgende dag al uit de pot), waar het kweekpaar makkelijk door kan. Al spoedig ziet u ze met geweld de turfmolm induiken, waar ze zo diep mogelijk een eitje afzetten. Na een week giet ik de turf (met eieren?) door een fijnmazig net, nog in het net knijp ik zo veel mogelijk water eruit, soms laat ik de turf ook nog tussen kranten wat verder drogen. Vervolgens in een plastic zakje, etiket erop met zo veel mogelijk gegevens en op een lekker warm plekje wegleggen en dan.......wachten en....... hopen.

Algemeen
Om de turfmolm fijn te krijgen gebruik ik een hele grove zeef, die de grootste stukken eruit haalt. Naarmate de soort groter is moet de kweekbak en de kweekpot groter zijn. De eieren van deze soorten hebben haartjes aan de buitenkant, waarmee ze turfdeeltjes vasthouden.

Hierdoor is het heel moeilijk om vlak na het afzetten eitjes te vinden.
Na ongeveer 6 maanden breken deze haartjes af en is het veel gemakkelijker.

De turf met eieren kan keer op keer gedroogd worden en weer opgegoten en zijn bijna altijd nog wel lange termijn eieren te vinden. In Ceara in noordoost Brazilië regende het 4 jaar niet en toen het dan eindelijk geregend had, bleken er toch weer Simsonichthys antenori's te zwemmen.
De bodemduiker verlangt veel en voedzaam voer zoals diepvries artemia's, tubifex, muggelarven en zelfs kleine regenwormen worden met smaak verorberd.

Opfok van de jongen
Nadat de eieren zijn uitgekomen, willen we deze natuurlijk minstens zo groot en mooi krijgen als de ouderdieren.

In de eerste weken moeten we ze als het even kan 2 keer per dag voeren met pekelkreeftjes. Niet alle pekelkreeftjes worden opgegeten en daarom doen we er een aantal slakken bij. Ook dagelijks vullen we water bij en als het bakje vol is verversen we elke dag 10% van het water.

Jonge visjes kunnen in het begin prooien eten ter grootte van hun oog.
Je kunt vissen met alleen pekelkreeftjes groot krijgen, maar het is natuurlijk beter om afwisselend te voeren ,et cyclops, kleine watervlooien en kleine witte, zwarte of rode muggelarven.
Hoe groter de afwisseling, hoe sneller de vissen lijken te groeien. Na een week zet is ze afhankelijk van het aantal over in een uitzwemmer van 40x20x20cm met een sponsfilter erin of een bakje van 25x30x30cm met een bodemfilter met 1 cm zand erop. Zowel in het sponsfilter als in het zand zitten volop bacteriën die de afvalstoffen verwerken.

Toch zuig ik elke maand het zand van de bodem, spoel het goed met kraanwater en schep het uit de emmer weer terug op het filter. Het is verbazingwekkend hoe veel dode pekelkreeftresten er uit dit zand komt, alsof ze ze niet gegeten hebben. Het grote voordeel van beide filters is dat de kleine jongen er niet ingezogen kunnen worden.

Elke dag wordt het water 10% bijgevuld tot de bak vol is en daarna wordt wekelijks de helft van het water ververst. Na 6 weken begint het geslachtonderscheid al weer zichtbaar te worden. En ik probeer dan de eerste tijd de grootste mannetjes er uit te vangen, zodat die niet de kleinste vrouwtjes op eten. Een van de redenen waarom we soms bijna alleen maar mannen nakweken.

Zodra ze uitkleuren kunt u ze meebrengen naar onze visbeurs. Waarom zo snel?? Wel, omdat de koper de meeste kans heeft om met deze jonge vissen, die verder opgroeien in uw water en in uw bakken, een volgende generatie te kweken. Oudere vissen zijn wel mooier om te zien maar wennen veel moeilijker aan uw omstandigheden en soms weigeren ze dan ook om maar 1 ei af te zetten.
Ook nog van belang is dat u een goed fittend paar bij elkaar zoekt en zet.

Het zal u misschien verbazen maar het is in de vissenwereld net als in de mensenwereld, met de een wil je het wel doen en met de ander nog niet eens als u met z'n tweeën op een verder onbewoond eiland zou belanden.
Twee of drie paar om mee te beginnen is dan ook veel beter.
Doe ze bij elkaar, ga voor de bak zitten en kijk wlke twee elkaar opzoeken en pronkend door het bakje zwemmen. Vang ze uit en zet ze in een kweekbak en

............ al snel raapt u de eerste eitjes.

Jan Willem Hoetmer